Pulicat - Adriana Geerits Cant (± 1610-1657)
Een Werkendamse wereldreizigster
Op een hele warme dag in februari 2024 stappen we uit de auto met airco. Niet alleen de warmte overvalt ons, maar ook de omgeving en de vislucht. We staan op een smerig plein waar de vismarkt op zijn einde loopt en waar zelfs de bries van de Golf van Bengalen geen verlichting biedt. We maken een reis door de twee zuidelijke staten van India, Tamil Nadu en Kerala, langs het erfgoed van de VOC.
Koperdruk op papier van Fort Gelria (Atlas of Mutual Heritage)
Precies op deze plek stond ooit het fort Gelria, het hoofdkwartier van de VOC aan de Coromandelkust en voeren schepen af en aan om handel te drijven in voornamelijk buskruit en textiel. De katoenen kleding werd ingekocht in de omliggende dorpen en werd gebruikt om specerijen mee te kopen in de Indische archipel. Binnen de poorten van het fort was woonruimte voor ongeveer 85 mannen, bestaande uit kooplui, waarvan enkele met hun gezinnen, een predikant en militairen en er was een fabriek voor buskruit. Zesentwintig kanonnen moesten het fort, of casteel zoals het vaak genoemd werd, beschermen tegen de vijand. Het fort werd in 1781 bezet door de Engelsen en in 1782 met de grond gelijkgemaakt door Haider Ali, de sultan van Mysore, die niets met de Engelsen van doen wilde hebben. Terwijl wij nieuwsgierig de omgeving in ons opnemen, worden we zelf met nog meer nieuwsgierigheid bekeken door de aanwezige mannen. Onze chauffeur legt uit dat we op zoek zijn naar de Hollandse begraafplaats. Met hun hulp is die snel gevonden en aan de toegesnelde “beheerder” blijkt ook dat daar nieuws snel de ronde doet.
Hier in Pulicat zijn twee begraafplaatsen bewaard gebleven waarop personeelsleden van de VOC met hun gezinsleden begraven werden. De begraafplaats waar we nu voor staan is lang overwoekerd geweest, maar sinds een aantal jaren wordt hij beheerd door de Archeologische dienst van India en onderhouden door de lokale bevolking door er zo nu en dan een paar geiten op te zetten. In onze ogen wat ongewoon maar het werkt. Veel stenen zijn nog goed leesbaar en worden alle gefotografeerd terwijl ik de meelopende beheerders vertel wat er op de stenen staat vermeld. Bij een van de grafmonumenten sta ik langer stil. Het is een graf waar meerdere mensen in begraven liggen. De tekst is afwijkend van die op de meeste andere stenen, maar dat is niet de reden waarom ik er langer sta. Ik probeer mij ter herinneren waar ik de namen van het echtpaar eerder heb gezien.
Grafzerk Maria de Carpentier (foto René ten Dam, 2020)
“Hier legt begraven Maria de Carpentier overleden den 24 junij 1658 out ontrent 5 jaren=Ende Maria van Heussen overleden 23 junij 1666 out 19 maenden= mitsgaders Adriana Geerits Cant Huysvrou Vanden Coopman en Fiscael Roelant de Carpentier overl/den den 3 december 1667 out ontrent 57 jaren zijnde moeder en grootmoeder van beyde de voornoemde dochtertiens= Nevens juffrouw Adriana de Carpentier Huijs/vrouw van de ondercoopman Sacheus van Huessen, overleden den 18 mey 1672 Ook Sr. Roelant de Carpentier Coopman is overleden den 30 september 1673, out sijnde over de 71 jaer; wesende grootvader en vader als man der bovenstaende persoonen”.
Het is zoiets als een steentje in je schoen dat blijft irriteren. Volgens mij hebben ze “iets” met Werkendam te maken maar wat? Het duurt nog minstens een maand voor ik in mijn computer kan kijken die in Werkendam staat. Thuis gekomen ga ik op zoek.
Op 12 april 1653 werden als lidmaat in de kerk van Werkendam opgenomen Roeland de Carpentier en Maria Gerrits Cant, echtelieden, “komend uit Brasil”. Dat ze ook echt in Werkendam gingen wonen blijkt als hun, op 1 september ‘s-nachts om 2.30 uur geboren dochtertje Maria op 3 september gedoopt wordt in de Werkendamse kerk. Helaas volgt al snel verdriet als, zes dagen later, op 9 september 1653 hun 10-jarige dochtertje Helena in dezelfde kerk begraven wordt. Er moet een reden voor zijn dat een gezin uit Brazilië naar Werkendam komt. Het moet een bewuste keuze geweest zijn en dat zal niet zoiets simpels zijn als de beschikbaarheid van een woning. Omdat de naam De Carpentier hier niet voorkomt en de familienaam Cant wel, is het voor de hand liggend dat Adriana Gerrits Cant in Werkendam geboren is.
De levensloop van vrouwen in de geschiedenis is vrijwel onzichtbaar. Meer dan een geboorte- of doopdatum, een huwelijks- en overlijdensdatum en het kindertal is vaak niet te vinden. Helaas is van Adriana Geerits Cant zelfs dat niet het geval. Wanneer ze geboren is, is alleen bij benadering op te maken uit haar grafschrift. Het hele weinige dat we over haar weten, hebben we te danken aan haar schoonvader die zijn levensloop en die van zijn kinderen op schrift heeft gesteld en die, wonderbaarlijk genoeg, bewaard is gebleven.[i] Met die informatie bij de hand en het nodige zoekwerk in de archieven bleek het mogelijk te zijn om in ieder geval te kunnen constateren dat het een avontuurlijke vrouw met lef en doorzettingsvermogen was.
De familie Cant was al vroeg in de geschiedenis aanwezig in het gebied tussen Werkendam en Geertruidenberg. In 1514 werd een Gijsberth Cant genoemd als geestelijke in Geertruidenberg en grondbezitter in de omgeving van het tegenwoordige Dussen. Naarmate de zestiende eeuw vorderde, komt de naam ook in Rijswijk en Uppel voor met als kenmerkende voornamen Floris en Ghijsbert. De familie is over het algemeen welvarend en goed opgeleid. Omdat er geen doopboeken uit de streek bewaard zijn gebleven uit die tijd, is ook de doopdatum van Adriana niet bekend maar deze moet rond 1610 gelegen hebben. De in Werkendam wonende Gerrit Floriszn Cant is mogelijk haar vader.[ii] Van hem zijn (nog) geen kinderen bekend, maar hij heeft het in zijn testament wel over kleinkinderen.
Het zijn woelige tijden in de Nederlanden. De Tachtigjarige oorlog is na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand hervat. De Noordelijke Nederlanden zijn overspoeld door vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden. De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie zijn opgericht en lokken veel jonge mensen met zin in avontuur naar verre kusten. Vooral Brazilië en de kust van Noord-Amerika in de omgeving van waar nu Albany ligt, trekken kolonisten die daar wel brood in zien. Brazilië is vooral populair vanwege de suikerplantages die daar eerder gesticht zijn door de inmiddels, door de Nederlanders verdreven, Portugezen. Complete gezinnen gaan op zoek naar geluk en rijkdom. Hoe Adriana Cant in Brazilië terecht kwam, blijft in nevelen gehuld. Mogelijk is zij met andere familieleden meegereisd, want er komen meerdere mannen met de achternaam Cant in dezelfde periode voor in Brazilië.
De familie De Carpentier was uit de Zuidelijke Nederlanden gevlucht en via Engeland in de Noordelijke Nederlanden terecht gekomen. De tak waarin Roeland 18 juli 1603 werd geboren, kwam in Dordrecht terecht. Een andere tak van de familie had zich in Amsterdam gevestigd. Uit de Amsterdamse tak was Pieter de Carpentier naar Oost-Indië vertrokken en was daar, sinds het vertrek van Jan Pieterszoon Coen in maart 1623, de nieuwe Gouverneur-Generaal. Johannes de Carpentier, de vader van Roeland, was een volle neef van Pieter. Roeland was één van zijn tien kinderen die hij kreeg bij drie vrouwen. Uiteindelijk zouden Johannes en negen van zijn kinderen in Brazilië gaan wonen en werken.[iii] Op 6 januari 1626 scheef Johannes op: “Den 6 januarij 1625 voer mijn soone Roelant uyt Vlissingen nae Oost-Indien op het schip Mauritius, groot 700 lasten, voor onder-comyes; sijn gagie 22 gulden ter maent; daer waren op 400 mannen, ende hij arriveerden in Batavia den 3 October 1625, alwaer die tijt onsen neve Pieter de Carpentier, filius Pieters, Gouverneur en Generael over Oost-Indien was. Ende den 17 Julii 1633 arriveerden hij wederom uyt Oost-Indien int Texel.” Lang bleef Roeland niet in Dordrecht. Zijn vader noteerde “Den 4 April 1634 voer mijn voors. soone Roeland uyt de Mase nae Brasilien. Hij troude op Reciif in Brasil den 23 Marti 1639 met Adriana Geerits. Zij kregen negen kinderen”.
In Brazilië aangekomen kreeg Roeland een licentie om te handelen in Braziliaans hardhout. In 1639, het jaar waarin hij trouwde met Adriana Cant, staat hij geregistreerd als eigenaar van de suikermolen Formoso bij het stadje Serinhaém. Bij de suikermolen hoorden drie pachtboerderijen die hun suikerriet moesten leveren bij de suikermolen om tot suiker gemaakt te worden. De molen werd aangedreven door ossen en vermaalde een dikke 47.000 kilo suikerriet per jaar, goed voor ca 4.700 kilo suiker. Serinhaém was maar een kleine stad met een beperkte Europese bevolking die bestond uit een aantal eigenaren van suikermolens en soldaten van de WIC die getrouwd waren met Portugese vrouwen. Toevalligerwijze was Casper Velthuijsen uit Gorinchem daar predikant. Het leven op de suikermolen was niet zonder gevaar. De inheemse bevolking ging met enige regelmaat op rooftocht uit, maar ook de Portugezen begonnen in de loop van de jaren steeds vaker aanvallen uit te voeren in de hoop het land te heroveren. Het eerste kind van Roeland en Adriana, Maria, werd geboren op 18 september 1641 maar overleed, 10 maanden oud, in Bahia, een stad aan de Allerheiligenbaai. De tweede dochter, Helena, werd 10 februari 1643 geboren, gevolgd door Servaes op 13 augustus 1644 op de Engenho (suikermolen) Formoso. Hij werd 21 augustus daaropvolgend gedoopt door ds. Casparis Velthuysen.
Suikermolens aangedreven door ossen.
Tekening van Frans Post (1612-1680) gemaakt in 1640 in de Nederlandse kolonie in Brazilië.
In de nacht van 19 juli 1645 werd de suikermolen overvallen door boslopers van de vijand. Eerst probeerden zij de suiker in beslag te nemen uit naam van de Koning van Portugal. Toen De Carpentier daar niet op in ging, werd een kalf geplunderd en geslacht en werden de meesten van zijn negers en slaven, 37 in totaal, weggevoerd. Twee paarden en ander klein vee werden ook meegenomen. Een aantal van de rovers werd herkend, maar de buit was al verdeeld en de rovers gevlucht.[iv] Ondanks dat Roeland had besloten de Portugese soevereiniteit te accepteren mocht hij niet bij de molen blijven wonen en werd hij verbannen naar Bahia. Hij sloot een overeenkomst met een aantal Portugese-Brazilianen die de suikermolen en fabriek onder hun bescherming namen. In 1647 werd zijn suikermolen opnieuw geplunderd. Uiteindelijk werd hij onteigend. Dochter Adriana werd geboren op 26 oktober 1646 maar overleed ruim 5 maanden oud in Bahia. De volgende Adriana werd in Bahia geboren op 24 maart 1648, net zoals haar broer Johannes op 6 oktober 1650. [v]
Ondertussen was de dreiging van de Portugezen zo groot geworden dat in maart 1648 versterking uit de Republiek aangekomen was onder leiding van Witte de With. Dit leidde tot de Eerste Slag bij Guararapes waar 2.300 Portugezen de 4.500 Nederlanders in de pan hakten. Om erger te voorkomen trokken de Nederlanders zich terug, maar telden ca. 500 doden en meer dan 550 gewonden. In februari 1649 werden de Nederlanders op dezelfde plaats in de val gelokt door de Portugezen. Het treffen eindigde in een vlucht van de Nederlandse soldaten waarvan er 957 omkwamen. De gevolgen van deze nederlagen waren ook in de omgeving van Werkendam voelbaar. Alleen al uit een stad als Gorinchem kwamen 27 mannen om. Toen de West-Indische Compagnie besloot zijn rechten op Brazilië op te geven in ruil voor een schadevergoeding, eiste Roeland, mede uit naam van zijn inmiddels overleden broer Servaes, een bedrag van 40.000 florijnen. Het is de vraag of ze ooit geld hebben gezien. Roeland en Adriana verlieten Brazilië en zochten samen met hun kinderen Helena, Servaes, Adriana en Johannes hun heil in Werkendam.
De overgang van het zonnige Brazilië naar het koele en natte Nederland was voor het hele gezin groot. Roeland was al meer dan 25 jaar weg uit Nederland en de kinderen kenden het alleen maar uit verhalen. Daarnaast hadden ze geen inkomen meer en het is de vraag of ze nog veel bezittingen hadden. Roeland moest werk zoeken. Dat vond hij uiteindelijk bij de VOC als fiscaal, een soort belastinginspecteur. Terwijl zij nog in Werkendam woonden, gebeurde er iets merkwaardigs. Er verscheen een boek over de recente geschiedenis van de Nederlanders in Brazilië, geschreven door iemand die zich Lief Hebber noemde. Hij doet daarin het verhaal hoe Roeland Carpentier, eigenaar van de suikermolen Formoso, beschuldigd werd wegens hoogverraad en na zware martelingen door onthoofding stierf. Waarschijnlijk heeft Roeland dit verhaal nooit gezien. Mogelijk heeft het feit dat Roeland niet meer in Brazilië teruggevonden werd ertoe geleid dat nu in de meeste publicaties over de Nederlanders in Brazilië dit verhaal is opgenomen. Tot op de dag van vandaag.
Roeland en Adriana vertrokken met hun kinderen op 11 april 1656 met het schip “de Parel” naar Batavia. Roeland in functie en Adriana en de kinderen als passagiers. In totaal waren er drie vrouwen en acht kinderen aan boord. Vanuit Batavia werd Roeland doorgestuurd naar Pullicat aan de Coromandelkust. Het leven zal er geen vetpot zijn geweest, maar daarvoor in ruil kregen ze wel kost en inwoning. Ook als het gezin buiten de fortificatie zou gaan wonen, was er meestal een tegemoetkoming in de vorm van bijvoorbeeld kaarsen, olie, dranken en brood. Gelukkig was men zeer tevreden over de arbeidsethos van Roeland en kreeg hij er in 1658 de functie van onderkoopman bij en voor alle twijfelaars of we het nog over een en de zelfde Roeland hebben wordt nu alle twijfel weggenomen door de vermelding “hij heeft in Brazilië ook diverse exploicten en krijgstochten persoonlijk bijgewoond waardoor wij geen bekwamer persoon kennen tot meerder ontzag tot koopman benoemen”.[vi] Dit is mede van belang omdat in het boek “In steen geschreven” van Marion Peters “onze” Roeland wordt verward met zijn neef Roelant zoon van Pieter de Carpentier en Maria de Witte die zijn leven in Dordrecht zou leiden.[vii]
Detail grafzerk Maria de Carpentier (foto René ten Dam, 2017)
Roeland werd nog bevorderd tot opperkoopman, maar in feite vertelt de grafsteen het verloop van hun verdere leven. Maria, geboren in Werkendam, wordt maar 5 jaar oud. Adriana maakt nog mee dat haar dochter en naamgenote Adriana, 16 jaar oud, in 1664 trouwde met de assistent Zacheus Heussen. Drie generaties vrouwen, geboren op drie verschillende continenten. Roeland overleefde hen, maar voelde zich oud en zwak worden waardoor hij niet meer in staat was om in en op de schepen te klimmen om de lading te controleren. Hij vroeg hem hiervan te ontslaan waardoor hij alleen nog als opperkoopman kon functioneren. Het werd hem toegestaan. Op 30 september 1673, 70 jaar oud stierf ook hij. De zonen Servaes en Johannes bleven in India wonen, werken en zouden daar ook sterven.
Na een paar uur nemen we hartelijk afscheid van de mannen die deze begraafplaats zo goed onderhouden. We krijgen nog een opdrachtje mee. Of we thuis even aan de koning willen laten weten dat ze hier zijn begraafplaats netjes onderhouden.
Noten
[i] De Nederlandse Leeuw, jaargang 44 (1926)
[ii] Met dank aan Remco van den Heuvel
[iii] Casper werd predikant in Amsterdam, Amersfoort en Sliedrecht
[iv] NA OWIC inv. 60 scan 115/1
[v] Johannes geeft aan dat Roelof en Adriana negen kinderen kregen maar tot op heden zijn zeven kinderen bekend.
[vi] NA 1.04.02.1231_0283
[vii] Roelant de Carpentier (Dordrecht 31.12.1620-) zoon van Pieter en Maria de Witte
- Laatste update op .