Inleiding

Een korte geschiedenis

Gedurende ruim 200 jaar, van 1604 tot 1825, speelde India een belangrijke rol in de Nederlandse handel. De Nederlandse aanwezigheid in India staat echter niet op zichzelf. De VOC veroverde een plek in een al eeuwen bestaand netwerk van handel rondom de Indisch Oceaan, waarin vanuit Europa gezien de Portugezen hen al voor waren gegaan. Middelpunt van de Nederlandse handel vormden de specerijen op de Indonesische archipel, met als bestuurlijk centrum Batavia, het hedendaagse Jakarta. Textiel uit India vergemakkelijkte de VOC de toegang tot de specerijenhandel en daarmee het Aziatische netwerk. De specerijen konden geruild worden voor Chinese zijde, de Chinese zijde werd geruild voor Japanse edelmetalen en dat werd weer geruild voor Indiaas textiel. Daarbij kwamen vervolgens ook nog allerlei andere producten die zeer winstgevend waren, zoals roggehuiden uit India die naar Japan werden verhandeld. De Nederlanders veroverden zo een prominente plek in de Zuidoost-Aziatische markt.

De Enkhuizenaar Dirck Gerritsz. Pomp was in 1568 waarschijnlijk de eerste Nederlander in India, zoals hij ook als eerste China en Japan bezocht. Jan Huygen van Linschoten werkte vanaf 1581 als secretaris van de Portugese aartsbisschop in Goa. Hij beschreef in zijn in 1586 verschenen boek Itinerario de vaarroute naar India en de vele producten die er te krijgen waren. In 1604 sloot Steven van der Hagen namens de VOC als eerste een overeenkomst in India, met de Zamorin van Calicut. Daarna opende de VOC al snel meerdere handelsposten, factorijen genaamd, waarvan sommigen zich ontwikkelden tot versterkte nederzettingen met fort en garnizoen. Elders bestond de factorij uit enkel een kantoor met pakhuizen, zoals in Surat. Soms werden Portugezen uit hun bestaande versterkingen verjaagd, zoals in Fort Kochi en Nagapattinam. Op hun beurt werden de Nederlanders soms verjaagd.

In India had de VOC te maken met verschillende machthebbers. In het noorden lag het grote Mogolrijk en in het zuiden bevonden zich de sultanaten van de Dekan en een aantal kleine Hindoe-rijken. Met elk van hen moesten de Nederlanders een handelsrelatie zien op te bouwen, waarbij in sommige gevallen ook militaire steun werd geboden, zodat een hechte, maar vooral praktische relatie ontstond. Hierbij werd soms niet alleen handel gedreven, maar werden ook kleine oorlogen uitgevochten. Dit alles om de eigen positie te behouden en te versterken. Om het netwerk van handelsposten in India optimaal te benutten ontwikkelden een vijftal factorijen zich tot regionale hoofdkwartieren om de regio aan te sturen: Surat, Malabar, Ceylon, Coromandel en Bengalen. Vanuit elk van de hoofdkwartieren werd de desbetreffende regio aangestuurd. Soms wisselden binnen een regio factorijen elkaar af als hoofdkwartier, afhankelijk van de lokale omstandigheden.

Kaart van Zuid-India uit de Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag Deel 4.Kaart van Zuid-India uit de Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag Deel 4.

De Coromandel was de belangrijkste producent van gewoon en luxe textiel, terwijl Surat en de Bengalen toegang gaven tot de binnenlanden van Hindoestan, de regio in het noorden van India. In het begin van de achttiende eeuw werden de Bengalen een belangrijk handelscentrum met textiel, salpeter, opium en goedkope ruwe zijde. In Malabar en Ceylon bleef men zich voornamelijk concentreren op de handel in specerijen, in het bijzonder peper en kaneel. Terwijl Colombo op Ceylon uitgroeide tot een administratief centrum, zoals Batavia, bleven de andere locaties in India handelscentra.

Na 1750 werd de rol van de VOC langzaamaan minder. De bureaucratie en daarmee gepaard gaande kosten en corruptie drukten steeds zwaarder op de winst. De focus van de handel verschoof bovendien steeds meer naar de Indonesische archipel. Gedurende de Vierde Engelse oorlog (1780-1784) en de Franse Tijd in Nederland (1795-1813) namen de Engelsen de Nederlandse factorijen in India al over. Uiteindelijk droeg Nederland al haar vestigingen in India in 1825, zoals overeengekomen bij het Verdrag van Londen, definitief over aan de Engelsen. Van bijvoorbeeld Fort Kochi is bekend dat er veel Nederlanders bleven wonen.

Gebouwd erfgoed

Veel van het door Nederlanders gebouwde erfgoed is in de loop der jaren verdwenen. Op tal van plaatsen wordt bestaand erfgoed bedreigd. Soms is het beschermd door de Acheological Survey of India (ASI) en opgenomen op de lijst van Monument of National Importance, anders door de lokale overheid. Zo is onder andere het Binnenkerkhof in Pulicat door de ASI beschermd, evenals Fort Sadras met de binnen het fort liggende begraafplaats. Andere begraafplaatsen zijn niet beschermd en vallen onder het beheer van de eigenaar, meestal de kerk. Wanneer er geen eigenaar meer is, dreigt het erfgoed te verdwijnen, zoals al met verschillende begraafplaatsen in de loop der tijd is gebeurd. Ook heeft in veel gevallen bebouwing de begraafplaatsen verdrongen. Soms worden nog resten aangetroffen in de vorm van enkele zerken. In enkele gevallen is er echter niets meer te vinden.

Fort Sadras. Op de voorgrond de begraafplaats. Foto René ten Dam, januari 2020.Fort Sadras. Op de voorgrond de begraafplaats. Foto René ten Dam, januari 2020.

Doel van Shared Cemeteries is om bestaand en bekend verdwenen Nederlands funerair erfgoed in India in kaart te brengen. Bestaande begraafplaatsen met hun bijzondere grafmonumenten als in Surat, Fort Kochi, Nagapattinam en Pulicat laten bij uitstek zien hoe de Indiase en Nederlandse cultuur elkaar gedurende 200 jaar hebben beïnvloedt en versterkt. Het is daarom waardevol deze begraafplaatsen te bewaren en te onderzoeken. Als brug naar een gedeeld verleden.

Begraafplaatsen

Op hoofdlijnen kan een aantal typen van begraafplaatsen worden benoemd. Als eerste is er de Tuin. Als onderdeel van de factorij was er vaak een grote en weldadige tuin in gebruik. Niet alleen voor de ontspanning, maar ook als signaal naar de plaatselijke heerser om de Nederlandse welvaart te tonen. In de tuin werd in veel gevallen ook begraven. Zo ontstonden de eerste Nederlandse begraafplaatsen. Op sommige plekken verwijst de huidige naam nog naar dit gebruik, zoals in Masulipatnam, waar de begraafplaats ‘Walandapalem’ heet, oftewel ‘Hollanders Land’. Was de sterfte hoog en werd de bemensing van de plaatselijke factorij groter, dan ontstond er vaak een begraafplaats buiten de factorij en buiten de bebouwde kom. De Nederlandse begraafplaats in Chhapra is hier een voorbeeld van. Helaas staat er tegenwoordig nog slechts één Nederlands grafmonument en zijn vrijwel alle andere grafmonumenten verdwenen. Andere begraafplaatsen zijn gereconstrueerd, zoals in Masulipatnam.

Reconstructie in Masupulipatnam. Foto Dick de Jong, februari 2020.Reconstructie in Masupulipatnam. Foto Dick de Jong, februari 2020.

Ook kwam het voor dat binnen het fort begraven werd. Dat kon zijn binnen het fort zelf of binnen de versterking. Zowel het Binnenkerkhof in Pulicat en Fort Sadras zijn hier voorbeelden van. De oorspronkelijk Portugese begraafplaats in Pulicat, het zogenaamd Buitenkerkhof, ligt zoals de naam al aangeeft, buiten de versterking. In een enkel geval werd ook in de kerk begraven, zoals destijds in Nederland gebruikelijk was. Het bekendste voorbeeld hiervan is de St Franciskerk in Fort Kochi. De zerken liggen er echter niet meer op de vloer en zijn ingemetseld in de zijmuren en pilaren van de kerk.

In enkele gevallen komt het voor dat Nederlanders op andere begraafplaatsen werden begraven of elders. De grafmonumenten voor John Hessing in Agra, een kopie in rood zandsteen van de Taj Mahal, en Eustachius de Lannoy in Fort Udayagir zijn daar voorbeelden van. Beiden waren ten tijde van hun overlijden echter niet meer in dienst van de VOC, maar dienden lokale heersers. Daarbij moet opgemerkt worden dat De Lannoy eigenlijk een Fransman was, maar zoals zoveel nationaliteiten die in dienst waren van de VOC vaak als Nederlands werd beschouwd.

Geografische namen

De Nederlanders gebruikten verschillende schrijfwijzen en benamingen voor plaatsnamen en regio’s. Voor Quilon bijvoorbeeld Coilan, Coylan, Koijlang en Kollam, voor Cochin bijvoorbeeld Cochijn, Couchim, Coutheim, Coxijn, Koetsjen, Koetsjiem en Kochi. Voor de website hebben we geprobeerd de benamingen te hanteren die het meest gangbaar zijn of waaronder de desbetreffende begraafplaats bekend staat. Voortschrijdend inzicht kan echter tot aanpassingen leiden en suggesties zijn uiteraard welkom.

 

Aanbevolen literatuur en websites

  • Bauke van der Pol, De VOC in India – Een reis lang Nederlands erfgoed in Gujarat, Malabar, Coromandel en Bengalen. Zutphen, 2011.
  • Martin Krieger, European Cemeteries in South India – Seventeenth to Nineteenth Centuries. Delhi, 2013.
  • Femme S. Gaaistra, De geschiedenis van de VOC. Zutphen, 2002.
  • Marion Peters, In steen geschreven – Leven en sterven van VOC-dienaren op de kust van Coromandel in India. Amsterdam, 2002.
  • Dutch Sources on South Asia / Jos Gommans, Lennart Bes, Gijs Kruijtzer 2001-2015 (available online on the website of the National Archives of the Netherlands – link: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.14.97/invnr/8ED/file )
  • TANAP http://tanap.net/

Afdrukken   E-mailadres