Introductie

Als het gaat om de Nederlandse aanwezigheid in Zuid-Amerika zullen de meeste mensen waarschijnlijk alleen aan Suriname denken. De Nederlandse invloed reikte in het verleden echter verder. Zo was er een korte periode in het tweede kwart van de zeventiende eeuw waarin de Republiek de Portugese machthebbers wist te verjagen uit Noordoost Brazilië. Maar ook de naast Suriname gelegen koloniën Berbice, Demerara en Essequibo - langs de kuststrook tussen de monding van de Amazone in Brazilië en de Orinoco in het huidige Venezuela - waren tot het eind van de achttiende eeuw in handen van de Republiek. In het begin van de zeventiende eeuw was er in de – toen nog – vier koloniën, vooral sprake van kleine, vaak tijdelijke, handelsfactorijen, al was Suriname al wat meer ontwikkeld en werd daar ook regelmatig strijd geleverd.

De oudste Nederlandse nederzetting in Suriname dateert uit 1613 aan de Corantijn, de rivier op de huidige grens van Suriname en Guyana. In 1614 werd het fort door Spaanse troepen in brand gestoken, waarbij zo’n vijftig Nederlanders levend werden verbrand.[1] Aan de Surrenant, de tegenwoordige Surinamerivier, lag de handelspost Purmerbo, gevestigd in 1613 als Amsterdamse factorij, op de plek waar later fort Zeelandia kwam te liggen. In 1644 vestigde zich daar een groep van zo’n zestig Fransen die een klein houten fort bouwden. Vanwege malaria en aanvallen van Inheemsen vertrokken ze weer en in 1650 werd de plek ingenomen door de Brit William Byam. Hij noemde het fort naar zijn opdrachtgever: Willoughby. [2] Deze post zou na de verovering in 1667 door Abraham Crijnssen uitgroeien tot de stad Paramaribo. Het fort werd door Crijnssen hernoemd tot fort Zeelandia, naar zijn eigen fregat.

Torarica, eerste hoofdstad van de kolonie

Hoofdstad van de kleine kolonie was op dat moment nog Torarica, zo’n 50 km stroomopwaarts gelegen van het fort. Torarica was een kleine nederzetting die was ontstaan na de komst van de Engelsen in 1650. Er stonden zo’n honderd huisjes en hutjes verspreid over het gebied.[3] Toen de Engelsen zich in Suriname vestigden, sloten de Cariben een verbond met hen en hielpen in de strijd tegen de Nederlanders, die Cariben als slaaf hielden. Pas in 1684 kwam er een vrede tot stand, waarbij de Inheemsen bepaalde toezeggingen werden gedaan. Zo mochten zij niet meer tot slaaf gemaakt worden, alleen nog als gevolg van bepaalde misdaden, en mocht niets gedaan worden dat ten nadele van de Inheemsen zou zijn.[4] Echter nog meer dan door oorlog en slavernij verloren veel Inheemsen het leven doordat de Europeanen ziekten introduceerden waartegen de Inheemsen geen weerstand hadden.

Detail 'Paskaart van verschillende Surinaamse rivieren', Jan Luyken, 1684 - 1799 (collectie Rijksmuseum)Detail 'Paskaart van verschillende Surinaamse rivieren', Jan Luyken, 1684 - 1799 (collectie Rijksmuseum)

Het ontstaan van begraafplaatsen voor kolonisten en slaven

Onderzoek toont aan dat er in Paramaribo tussen 1667 en 1900 in ieder geval 29 begraafplaatsen (waaronder kerkhoven) zijn geweest. [5] Slechts een tiental begraafplaatsen, of resten daarvan, is bewaard gebleven. De overige begraafplaatsen zijn geruimd en in de meeste gevallen is er nauwelijks een spoor van terug te vinden. Soms omdat er later in de tijd een nieuwe begraafplaats op die plek is ontstaan, maar vanwege uitbreiding van de stad vooral ook door bebouwing. Vanaf 1900 is er sprake van in ieder geval 24 nieuwe begraafplaatsen. Niet meegeteld in de totalen zijn de individuele begraafplaatsen die in vroeger tijden zijn aangelegd op het erf. Het graf van gouverneursvrouw Siekea Anne de Haas in de Palmentuin is een bekend voorbeeld. Ook zijn niet meegeteld de slavenbegraafplaatsen die er moeten zijn geweest. Simpelweg omdat onvoldoende bekend is waar ze moeten hebben gelegen en hoeveel het er zijn. In een apart artikel zal hier later aandacht aan worden besteedt. Hetzelfde geldt voor de verschillende justitieplaatsen die er zijn geweest aan de rand van de stad. Op deze plekken, waar recht werd gesproken en met name slaven werden opgehangen of op andere wijze ter dood gebracht, werd ook begraven. Omdat Paramaribo zich steeds verder uitbreidde, verplaatste de justitieplaats zich met de grenzen van de stad mee. Niet onwaarschijnlijk is dat van de verschillende justitieplaatsen nog sporen te vinden zijn in de vorm van stoffelijke resten.

Noten

[1] De Jong, Caroline. Inheemsen aan de Corantijn 1900 voor Chr. – 1900 na Chr. – De historische inheemse bewoning van de Corantijnrivier in West-Suriname (2007), pag. 42-43

[2] Fontaine, Jos. Zeelandia, de geschiedenis van een fort (1972), pag. 7-8

[3] De Bye, John H.. Torarica – De oude hoofdstad van Suriname (2017), pag. 24

[4] Dalhuisen, Leo, Maurits Hassankhan en Frans Steegh (red.), Geschiedenis van Suriname (2007), pag. 29-31

[5] Dam, René ten, Stephen Fokké, Tijdlijn begraafplaatsen in Paramaribo (2018)

 


Afdrukken   E-mailadres