Skip to main content

De onfortuinlijke dood van Henry Heusken

Hoe een Amsterdammer via Amerika terecht kwam in Japan en daar een gruwelijke dood vond. Dat is in het kort het verhaal van Henry Heusken. Heusken werd geboren in Amsterdam, zoon van Joannes Franciscus Heusken en Joanna Smit, beiden uit een katholieke familie. Zij waren getrouwd op 25 april 1827. Joannes was destijds zeepzieder (zeepmaker) en volgens de bevolkingsgegevens was Henricus Coenradus Joannes, zoals Henry’s doopnamen luidden, hun enige zoon. Joannes Heusken overleed in 1846, toen Henry nog maar veertien jaar oud was. Toen dat gebeurde verbleef Henry op een kostschool in Breda, ongetwijfeld een katholieke. Op zijn vijftiende kwam hij weer terug naar Amsterdam. In de volgende zes jaar probeerde Henry in de voetsporen van zijn vader te treden in het familiebedrijf. Hij was verantwoordelijk voor de zorg van zijn moeder die niet in de beste gezondheid verkeerde. Volgens het bevolkingsregister van Amsterdam woonde Henry rond 1853 op verschillende adressen in Amsterdam waaronder de Leidsegracht 64, Oudezijds Achterburgwal 10 en Nieuwendijk 7. In een van de registers staat hij te boek als een kantoorbediende. Dat moet al geweest zijn nadat hij het familiebedrijf tevergeefs had geprobeerd voort te zetten. In 1853, toen Henry 21 jaar oud was, besloot hij te emigreren naar Amerika. Wat resteerde aan familiebezit moet voldoende zijn geweest om zijn moeder te onderhouden.

New York

Eenmaal in Amerika had Henry niet direct het geluk aan zijn zijde want hij verdiende bar weinig. Hij liet zich naturaliseren en nam de naam Henry Conrad Joannes Heusken aan. Het leven in New York viel hem zwaar en Henry leefde van de ene baan naar de andere die hem aangereikt werden door de Nederlandse gemeenschap in de stad. In 1855 werd hij door dominee De Witt en anderen aanbevolen bij Townsend Harris als tolk Nederlands in Japan. Henry sprak naast Nederlands nu ook Engels en had ook de Franse en Duitse taal onder de knie. Harris was aangewezen als de eerste Consul-Generaal van de Verenigde Staten in Japan. Hij was daarvoor op zoek naar een persoonlijke assistent en vertaler. Dat hij zocht naar iemand die de Nederlandse taal machtig was, had te maken met het feit dat de Japanners alleen die taal kenden voor diplomatieke zaken. Reden hiervan was dat Nederland van 1641 tot dan het enige westerse land was waarmee Japan handel voerde. Japan kende daarom alleen tolken Japans-Nederlands. Alle andere talen moesten dus via het Nederlands vertaald worden. Dit was de kans voor Henry. Hij kreeg een jaarsalaris aangeboden van 1.500 dollar maar dat zou pas ingaan wanneer hij zijn werk begon in Japan. Harris schoot hem om die reden 750 dollar voor om zijn onkosten te dekken.

Naar Japan

Het vertrek van Henry uit New York op 25 oktober 1855 zou definitief zijn, iets waar hij wellicht niet van uit ging. Henry reisde met het stoomfregat USS San Jacinto, een Amerikaans marineschip. Op die dag begon Henry ook met zijn dagboek. In de eerste woorden die hij schreef, ging zijn hoop uit naar een behouden vaart van de San Jacinto. Hij schreef onder meer dat hij nu drie jaar in New York was geweest en dat hij zijn vrienden zou gaan missen. Henry schreef niet zijn diepste zielenroerselen neer maar beschreef meer wat er gebeurde.

Terwijl Henry de reis maakte met de San Jacinto was Towsend Harris ondertussen over land onderweg naar de haven van Penang in Maleisië. Daar kwam de San Jacinto in april aan en dan ook weer schreef Henry in zijn dagboek. Na allerlei bezigheden in Bangkok waar Harris een nieuw handelsverdrag met de koning van Siam afsloot, vertrok het gezelschap op 1 juni naar Japan. Onderweg werden nog Hong Kong, Canton en Macao aangedaan. Aan boord op weg naar Shimoda, een havenstad waar het eerste consulaat was geopend, vertaalde Henry een groot aantal brieven uit het Engels naar het Nederlands. Op zaterdag 23 augustus 1856 gingen Harris en Henry aan land en bezochten ze de plek die hen toegewezen was voor het vestigen van hun consulaat, de Gyokusen-ji tempel. De eerste weken, terwijl de oude tempel gereed werd gemaakt, werkte Henry vanaf het schip dat hem naar Japan heeft gebracht. Nadat de tempel gereed was, zouden de twee enkele jaren intensief samenwerken aan de onderhandelingen voor het verdrag dat de Verenigde Staten van Amerika wilde sluiten met Japan. Deze “Treaty of Amity and Commerce”, ook wel het Harris-verdrag genoemd werd getekend door Japan op 29 juli 1858.

Eerder had Harris aan Washington over Henry gerapporteerd dat hij een aardige en vredelievende man was die nooit grof of gewelddadig deed naar de Japanners en zeer geliefd was. In zijn persoonlijk journaal was Harris echter wat meer direct over Henry. Op woensdag 3 december 1856 schreef hij “I believe that Mr Heusken only remembers when to eat, drink and sleep – any other affairs rest lightly on his memory”, wat erop neer kwam dat de lichamelijke noden voor Henry het belangrijkst waren. In andere gevallen probeerde Harris hem te waarschuwen dat hij niet te laat nog de straat op moest gaan. Op 23 december verhaalde Harris in zijn journaal over Henry dat die ongewapend de straat op was gegaan voor een wandeling en daarbij bedreigd was door een Japanner met een zwaard. Harris adviseerde Henry daarop nooit ongewapend de straat op te gaan.

Nadat het verdrag met Japan getekend was, in juli 1858, werd het Amerikaanse consulaat verplaatst naar Edo (zoals Tokyo toen nog werd genoemd). Het consulaat werd ook hier gevestigd in een tempelcomplex, dat van Zenpuku-ji in de wijk Minato dat al sinds de negende eeuw bestond. Henry werd al snel een van de meest publieke buitenlanders onder de westerse mogendheden die toen in Edo verbleven.

Leven in Tokyo

Al in Shimoda had Henry regelmatig paardgereden. Dat bleef hij ook doen in Tokyo waar hij vaak uitstapjes maakte. Paardrijden was in Japan altijd een privilege geweest voor de samoerai. Samoerai betekent letterlijk ‘hij die dient’. Ze vormden de krijgersklasse in het pre-industriële Japan. Van de twaalfde tot de late negentiende eeuw vormden samoerai de gewapende troepen van Japan. Deze samoerai vertegenwoordigden het oude Japan onder het Tokugawa-shogunaat dat Japan in de zeventiende eeuw had verenigd. Zij hadden moeite met de omwentelingen die Japan vanaf 1853 doormaakte.

Portrait of HeuskenPortret of Heusken

Tegenover de voorstanders van het shogunaat stonden pro-imperialistische nationalisten. Daarnaast waren er ook nog andere antiwesterse krachten in Japan. Zo was in maart 1860 de Japanse Eerste Minister vermoord vanwege zijn prowesterse opstelling. Ook verschillende westerlingen, waaronder twee Nederlandse kapiteins werden omgebracht, simpelweg omdat ze buitenlanders waren.

In dat klimaat voelde Henry zich toch in staat om gewoon de straat op te gaan en vertrouwde hij wellicht op zijn kennis van het Japans. Hoe Henry hierover dacht, weten we niet omdat hij na juni 1858 gestopt was met zijn dagboek. Pas op 1 januari 1861 schreef hij weer en toen vertelde Henry over de gevaren van groepen samoerai die van plan zijn consulaten aan te vallen. Op 8 januari 1861 schreef Henry zijn laatste zinnen in zijn dagboek. In zijn dagboek lezen we niets over zijn contacten met Japanse vrouwen (hij bleek zelfs getrouwd te zijn en een kind te hebben) en hoe vertrouwd hij zich voelde in zijn omgeving. Dat die houding hem fataal zou worden was iets wat kwam als een schok in de buitenlandse gemeenschap.

De avond van 15 januari 1861

De ervaring en kennis die Henry inmiddels in Japan had opgedaan, was ook bij andere mogendheden in trek. Zijn betrokkenheid bij eerdere onderhandelingen maakten hem tot een veelgevraagde tolk. Op de avond van 15 januari 1861 was hij uitgenodigd door hertog Friedrich Albrecht zu Eulenburg, hoofd van de Eulenburg Expeditie die in Japan was voor onderhandelingen over een handelsverdrag tussen Pruisen en Japan. De Hertog had Harris verzocht om Henry te mogen inzetten als tolk tijdens de onderhandelingen. Toen Henry’s ontmoeting met de Pruisische gezant klaar was, vertrok hij rond negen uur naar het consulaat. Hij werd vergezeld door drie regeringsgezinde samoerai en een viertal voetknechten. Van wat er daarna gebeurde heeft Reinier H. Hesselink in 1994 een gedetailleerde reconstructie gemaakt. In de beschrijving daarvan worden ook de daders genoemd.

Wat er gebeurde, was dat Henry en zijn gezelschap werden aangevallen door zeven zogenaamde ‘shishi’, politieke activisten die voor de shogun waren en tegen buitenlandse inmenging. Het woord shishi komt letterlijk vertaald neer op ‘mannen met een hoog doel’. Veel van dit soort mannen waren verarmd en door hun armoede tot alles in staat.

The Murder of HeuskenDe moord op Heusken (bron: Yomigaeru Bakumatsu, publiek domein)

De aanvallers waren geheel gekleed in het zwart en de gebruikelijke bewaking in de buurt was die nacht afwezig. Bij een brug die normaal bewaakt werd door de lokale clan, was niemand aanwezig. De aanvallers lagen juist bij deze brug in een hinderlaag. De stoet met Henry werd voorafgegaan door twee stalknechten te voet met lantaarns. Daarachter reed de samoerai Suzuki Zennojō te paard die het groepje leidde. Daarachter reed Henry met aan weerszijden twee stalknechten te voet. Achteraan reden de twee andere samoerai, Ajima Kōkichi en Kondō Naosaburō. Zodra de aanvallers de paarden hoorden aankomen, kwamen ze uit hun hinderlaag met getrokken zwaarden. Als eerste werden de stalknechten met hun lantaarns uitgeschakeld. Het paard van Zennojō werd gestopt met een flinke slag van het zwaard. De twee andere escorts namen direct de benen. Nagenoeg tegelijkertijd werd Henry door twee aanvallers belaagd. Hij kon een van de zwaarden ontwijken, maar van de andere kant werd hij serieus geraakt in zijn buik. Op hetzelfde moment gaf Henry zijn paard de sporen, terwijl van de andere kant nog een zwaardslag kwam. Had hij eerst nog het idee dat hij er goed vanaf gekomen was, dat ging snel over toen hij ernstige pijn voelde. Na ongeveer 200 meter gelastte hij zijn bediende het paard te stoppen en hem eraf te helpen.

De hele aanval had maar een paar seconden geduurd en beide aanvallers hadden ieder slechts een keer toegeslagen. Behalve Henry was geen van de anderen gewond geraakt. Hij lag gewond op straat met zijn bediende naast hem. Zennojō was doorgereden in de veronderstelling dat Henry volgde, maar toen hij doorkreeg dat zijn paard niet verder kon, ging hij te voet verder om hulp te halen. De andere samoerai vertelden later dat ze al die tijd bij Henry waren gebleven maar in zijn laatste uren wist Henry nog te vertellen dat hij zeker een half uur alleen op straat had gelegen. Toen er geen hulp kwam, stuurde Henry zijn bediende naar Robert Lucius, de dokter van de Pruisische ambassade. Al die tijd stroomde het bloed uit zijn buikwond.

Uiteindelijk kwam er hulp voor Henry. De samoerai hadden een Japanse dokter gevonden en ook bewoners uit de buurt durfden nu te komen kijken wat er aan de hand was. Al die tijd had Henry geschreeuwd van de pijn. Gelegen op een deur werd Henry naar de Zenpuku-ji tempel gebracht. Rond halftien arriveerde het gezelschap bij de tempel. Daar kon Henry zelf aan Harris vertellen wat er gebeurd was. Harris stuurde direct een boodschapper naar de Pruisische ambassade. De later gearriveerde dokter Lucius kon weinig doen dan alleen gadeslaan hoe Henry uiteindelijk stierf. In het rapport van de dokter is te lezen dat hij iets na middernacht, de 16de januari overleed. Een Franse priester had Henry nog bijgestaan in zijn laatste uur.

Na Henry's dood

De dokter constateerde na Henry’s dood dat hij gestorven was door bloedverlies, veroorzaakt door een forse wond in de buikholte en een lichte wond aan het bovenlichaam en zijn bovenarm. Het bloeden was te stoppen geweest maar de kans dat hij het dan zou hebben overleefd, was in die tijd gering. Een infectie van verwonde ingewanden zou hem dan uiteindelijk fataal zijn geworden. Dat hij doodgebloed was, had Henry een hoop pijn bespaard. De aard van de wond duidde er ook op dat de aanvallers hem meteen hadden willen doden.

Nog geen uur na Henry’s dood kreeg Harris bezoek van Oguri Bungo no Kami, een hoge ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze betreurde de dood van Henry zeer, iets wat vrij ongewoon werd geacht voor een Japanner. Nadat de gouverneur het lichaam van Henry had gezien, bezweerde hij dat koste noch moeite gespaard zouden worden om de moordenaars te vinden.

Al snel begonnen onder de buitenlandse gemeenschap de geruchten te circuleren dat het shogunaat achter de aanslag zat. Japanners zelf verdachten de rondzwervende samoerai of de volgers van een ontevreden heerser. Het toenmalige Tokyo zat vol van dit soort mannen, vooral sinds Japan zich geopend had naar het westen. Deze mannen noemden zichzelf shishi. Zij voelden het einde van de isolatie van Japan als een grote vernedering. Zij hadden zonder strijd te leveren alles verloren en ze zagen mannen als Henry als de vijand. Vooral het gedrag van Henry leek hen uit te dagen, iets waar hij zich wellicht niet geheel bewust van was of hij wilde het niet zien. De hele politiek achter de opening van Japan ontging deze shishi en ze maakten er ook geen deel van uit. Wel wisten ze dat ze hun land wilden redden. Onder hen bleken zich inderdaad de daders te bevinden, zoals we verderop zullen zien.

Henry liet een Japanse vrouw en een jonge zoon na. Van hen is weinig bekend.

De begrafenis en politieke gevolgen

Uit een brief van Harris aan de moeder van Henry weten we hoe de begrafenis verliep. Deze vond plaats op 18 januari en de stoet was omvangrijk, precies zoals Harris dat had gewild. De demonstratief grote begrafenisstoet bestond uit vele hoogwaardigheidsbekleders van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Japan, een vlaggenparade, de marsband van het Pruisische fregat Arcona en vele andere buitenlandse vertegenwoordigers. In het midden van de stoet het lichaam Henry bedekt met de Amerikaanse vlag en begeleid door acht Nederlandse mariniers.

De begrafenis vond plaats op de begraafplaats bij de Korin-ji tempel die niet ver van het toenmalige consulaat lag. Meteen na de begrafenis vertrokken de meeste westerse diplomaten uit Tokyo. Ze gingen naar het iets zuidelijker gelegen Yokohama waar het relatief rustig was. Voor hun bescherming werden meer Franse en Engelse soldaten aan wal gebracht. De moord op Henry bleek een spaak in het wiel van de relaties tussen de VS en Japan. Zeker ook omdat er nog steeds niemand veroordeeld werd voor de moord. Het enige wat de Japanse overheid deed, was een schadeloosstelling uitbetalen aan de moeder van Henry.

De chaotische periode in Japan waar Henry slachtoffer van werd, kwam uiteindelijk in 1868 ten einde. Toen werd de keizer tot leider van het land gekozen en brak de Meiji-periode aan. Maar Henry was niet het laatste slachtoffer van wat de geschiedenis is ingegaan als de Bakumatsu, ofwel de overgang van het shogunaat naar het keizerrijk. In 1862 werd de Britse handelaar Charles Richardson slachtoffer van de samoerai. Richardson werd gedood in de buurt van Yokohama in 1862. In 1868 werden nog eens elf Franse zeelieden vermoord bij een incident.

Nasleep

Het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad meldde op 12 februari 1862 dat de moeder van Henry de eerdergenoemde schadeloosstelling had ontvangen van de Japanse regering. De hoogte van deze schadeloosstelling bedroeg naar verluidt 10.000 Amerikaanse dollars. De schadeloosstelling was bewerkstelligd door Towsend Harris. Op 2 april 1862 schreef Henry’s moeder een bedankbrief terug aan Harris. De brief is later tussen Harris’ spullen gevonden. Mevrouw Heusken dankte Harris in haar brief uitvoerig voor de ontvangst van het bedrag en ook voor het feit dat Harris een monument voor haar zoon had laten oprichten. Mevrouw Heusken heeft nog enige jaren profijt gehad van de compensatie. Ze overleed op bijna 83-jarige leeftijd op 12 februari 1888.

De daders

Wat het shogunaat met zijn uitgebreide politieapparaat echter niet lukte, was het vinden van de daders. Harris hoorde telkens weer sterke woorden van hoogwaardigheidsbekleders maar er werd niemand opgepakt. Uit de verhoren van de begeleiders van Henry was echter al een vermoeden naar voren gekomen, op basis van de strijdkreet van de aanvallers. Vermoedelijk kwamen ze uit Satsuma, in het zuiden van Japan. Een dagboekfragment van een jonge samoerai uit Satsuma stelt nog duidelijker wie betrokken waren, maar dit kan berusten op roddels want op het moment dat hij dit schreef was de schrijver niet in Tokyo. De mannen die genoemd worden zijn Masumitsu Shinpachiro (1841-1868) en Imuta Shohei (1832-1868). De laatste zou Henry de enorme buikwond hebben toegebracht. Alle mannen die genoemd worden in het dagboek overleefden de roerige tijden niet. Een aantal pleegde later zelfmoord om hun eer te redden. Verder onderzoek maakte duidelijk dat deze mannen behoorden tot de Kobi no kai (Vereniging van de Tijgerstaart). Dit was een groep mannen die de loyaliteit voor een meester hadden ingeruild voor de loyaliteit aan Japan en niet bang waren ‘op de staart van de tijger te stappen’. Achter deze groep zat de samoerai Kiyokawa Hachiro (1830-1863) die zijn eigen gang ging en aan geld kon komen waar het niemand anders meer lukte. Tegenover andere groepen met dezelfde idealen probeerde Kiyokawa naam te maken. Hij had al door dat het shogunaat onvoldoende antwoord had op aanvallen door shishi. Kiyokawa was degene die achter het plan zat om Henry te vermoorden. Na de moord zou hij er zelfs over hebben lopen opscheppen.

Het shogunaat pakte verschillende leden van de Kobi no kai op en verhoorde hen intens. Het moet uiteindelijk wel duidelijk zijn geworden wie de daders waren. Kiyokawa was ondertussen gevlucht. Het gelukte hem echter een klein legertje samen te stellen en hij trok daarmee naar Tokyo waar hij hen in dienst wilde stellen van het shogunaat om buitenlanders buiten de deur te houden. Het shogunaat gaf Kiyokawa in eerste instantie al de macht om met zijn leger op te treden maar in 1863 werd hij vermoord door aanhangers van het shogunaat die een andere koers voor ogen hadden. Aanhangers van Kiyokawa wisten zich daarna veilig te stellen en gaven hem een passende begrafenis.

Het grafmonument van Henry

Henry werd begraven op de begraafplaats van de Korin-ji tempel, een Rinzai Zen Boeddhistische tempel in Azabu, niet ver van Zenpuku-ji. In eerste instantie kreeg Henry een eenvoudig graf dat nogal moeilijk te vinden was. Daarom werd begin twintigste eeuw geprobeerd een meer toepasselijke grafsteen voor Henry te maken. Dat lukte en op 30 mei 1917, de Amerikaanse Memorial Day, werd het nieuwe monument met een kleine ceremonie ingewijd. Op de steen is onder een afbeelding van een kruis het volgende te lezen:

SACRED

to the Memory of

HENRY C.J. HEUSKEN

Interpreter to the

AMERICAN LEGATION

in Japan

BORN AT AMSTERDAM

January 20, 1832

DIED AT YEDO

January 16, 1861.

De inmiddels verweerde grafsteen bestaat uit een getrapt basement met daarop een rechthoekige hoge zuil waarop aan de voorzijde de genoemde tekst is opgenomen. De zuil wordt gedekt door een brede basaltstenen afdekking. Deze afdekking lijkt op die van oudere Japanse grafmonumenten maar is wat meer gedetailleerd en voorzien van een ornament aan de voorzijde. Helemaal bovenop staat een uivormig ornament. Her en der zijn sporen te zien van een restauratie, waarbij onder andere cement gebruikt is. Het gehele monument ziet er constructief goed uit. Bij het monument is altijd wel een flesje gin te vinden, achtergelaten door bezoekers. Jaarlijks wordt er rond de sterfdag van Heusken een ceremonie gehouden bij het grafmonument door de Dead Dutchman Society.

Grafmonument heuskenGrafmonument Heusken in 2016 (photo author)

 

Voor wie het monument zoekt, kan het vinden op het tempelterrein via een smal pad aan de rechterzijde van de tempel. Het graf ligt op het grote grafvak rechts achteraan, op de laatste rij tegen een muur van grote hardstenen blokken.

Het adres van de tempel:

Korin-ji Temple

4/11/25 Minami Azabu

Tokyo

 

Literatuur
  • The complete journal of Townsend Harris, first American consul general and minister to Japan, Japan Society, New York 1930
  • Hesselink, Reinier; 'The Assassination of Henry Heusken' in: Monumenta Nipponica vintage 49, number 3, 1994 (pages 331–351)
  • Heusken, Henry; Japan Journal 1855-1861, translated and edited by Jeannette C. van der Corput and Robert A. Wilson, New Jersey 1964             
Internet

 

Met dank aan Geoffrey Tudor en Willem Kortekaas van de Dead Dutchman Society

  • Laatste update op .